Ga door naar hoofdcontent

Het lesvoorbereidingsschema

Om een les voor te kunnen bereiden gebruiken we een schema. Dit schema wordt een lesvoorbereidingsschema genoemd en is hieronder te vinden.

Hier vind je het lesschema als word-document

Stagegegevens:

  1. naam student: voer hier je naam in.
  2. klas: vul hier jouw klas van het ROC in.
  3. datum: vul hier de datum waarop je dat opdracht gaat uitvoeren.
  4. naam praktijkbegeleider: vul hier de naam van jouw begeleider op de stageschool in (meestal de naam van de juf of meester).
  5. School: vul hier de naam van jouw stageschool in bv. Cbs. De Zonnesteek (cbs. staat voor christelijke basisschool).
  6. groep: vul hier jouw stagegroep in bv groep 1/2
  7. aantal lln. (leerlingen): vul hier in met hoeveel kinderen jij de opdracht gaat uitvoeren.

Opdracht:

Hier vul je de naam en het nummer van de opdracht in. Als je een stageopdracht van school gaat voorbereiden heeft de opdracht al een naam nummer gekregen. Deze gegevens kun je dan gewoon overnemen.

Gaat het om een les die je buitenom de stageopdrachten doet, dan kun je hier zelf een naam bij verzinnen. Bv. Verlengde instructie rekenen: "vermenigvuldigen"

Doelstellingen:

Bij dit onderdeel van het lesvoorbereidingsschema moet je invullen wat je precies met de kinderen wil gaan bereiken.

(uitleg docent)

Beginsituatie:

Bij dit onderdeel van het schema moet je invullen wat de beginsituatie van de kinderen is. Dit betekent dat je moet weten wat de kinderen al over het onderwerp weten. Wanneer je bijvoorbeeld uitleg gaat geven over het leven van slakken, is het belangrijk om te weten wat de kinderen al over dit onderwerp weten.

(uitleg docent)

Gebruikte bronnen:

Bij dit onderdeel geef je aan welke bronnen je hebt gebruikt bij het voorbereiding van de opdracht en welke bronnen je gebruik bij de uitvoering van de opdracht.

Je kunt daarbij denken aan bijvoorbeeld: het handboek "De wereld in getallen".

Maar als je een prentenboek gaat voorlezen is het logisch dat je die eerst zelf een keer doorleest dus schrijf je de titel van het prentenboek op bij de bronnen.

Inleiding, Kern en Afsluiting.

Een les heeft altijd een bepaalde opzet. Wij maken deze opzet in ons schema doormiddel van drie onderdelen: een inleiding, een kern en een afsluiting.

In de inleiding wordt een introductie gegeven van het onderwerp dat je met de kinderen gaat behandelen. Wanneer je bijvoorbeeld aan kleuters een verhaal gaat voorlezen dat te maken heeft met bloemen kun je eerst met de kinderen praten over bloemen. Je stelt vragen in de trant van:

    • Wie heeft er wel eens bloemen gezien?
    • Hoe zag die bloem eruit?
    • Hebben jullie thuis wel eens bloemen?
    • Welke kleur bloemen vind jij mooi?

In de kern wordt de les uitgevoerd. De kinderen krijgen het verhaal voorgelezen en aan het einde worden er vragen gesteld. Eventueel volgt er een verwerking, dit kan bijvoorbeeld het knutselen van een bloem zijn.

In de afsluiting kun je de lesstof die in de kern is behandeld nogmaals, samen met de kinderen, herhalen. (in hogere klassen is dit meestal een evaluatie).

"Wat doe ik?", "wat doen de leerlingen?" en "hoe organiseer ik dat?"

Deze onderdelen van het schema spreken een beetje voor zichzelf.

Bij "Wat doe ik?" geef je precies aan wat jij doet bij het betreffende onderdeel van het schema. Bij de inleiding geef je bijvoorbeeld aan: "Ik stel vragen over het onderwerp bloemen zoals wie heeft er wel eens een bloem gezien". Je moet hier natuurlijk niet al je vragen in schrijven, maar 1 van de vragen is handig om aan te geven in welke richting de vragen gaan.

Bij "Wat doen de leerlingen?" geef je eveneens precies aan wat jij wilt dat de kinderen doen. Bij de inleiding geef je bijvoorbeeld aan: "de leerlingen beantwoorden de vragen en luisteren actief naar elkaar."

Bij "Hoe organiseer ik dat?" Geef je aan welke organisatorische aspecten bij dit onderdeel horen. Bij de inleiding kun bijvoorbeeld schrijven: de kinderen zitten in de kring. De "helpende handjes" zitten naast mij. De kinderen steken hun hand op als ze antwoord willen geven. (dit laatste kan eventueel ook bij
"Wat doen de kinderen?"